Klein Dantzig

 

 

 



home

welkom

inschrijven

historie

het verhaal

foto's

tentoonstelling

historiekaarten

links

organisatie

prikbord

service

contact

inhoud

 

90 jaar Klein Dantzig

 

foto

 

Het negentigjarig bestaan van Klein Dantzig is in 2010 gevierd met een prachtige tentoonstelling. Bespiegelingen, terugblikken, gedichten, authentieke documenten, herinneringen aan de oorlogsjaren en nog veel meer. Hier leest u er alles over.

 

Wat onze jubileumtentoonstelling aan ‘Klein Dantzigheden’ te bieden heeft?
Steeds een tuinvers van onze onvolprezen tuindichter Martin van de Vijfeijke, elke keer gevolgd door een blik in de achteruitkijkspiegel op het reilen en zeilen van Klein Dantzigers in het verre dan wel naaste verleden – een bespiegeling dus, mede ingegeven door het gedichtje van Martin, en die zal worden aangevuld met allerlei interessante authentieke documenten! Het onderstaande dient u een idee te geven. Bovendien was het als leidraad te gebruiken bij uw bezoek aan onze tentoonstelling.

 

Deze tentoonstelling was voor het eerst te bezichtigen in het grote clubhuis tijdens het jubileumfeest in het weekend van 19 en 20 juni 2010 en is nog open gebleven t/m 31 december 2010.

 

Lees verder in:

Deel 1 >

De oorlogsjaren >

Deel 2 >

Foto's van de tentoonstelling >

 


ga naar: Deel 1 > De oorlogsjaren > Dee 2 > naar boven >

 

 

Deel 1



BEKENTENIS

Ik eet groenten uit eigen tuin.
Iedereen mag het weten:
ik heb mijn tuin opgegeten,

voordat de gemeente dat doet
en onze tuingrond bouwrijp opslokt,
“omdat een mens ook wonen moet.”



De gemeentelijke Dienst Ruimtelijke Ordening gaf in haar rapport “Ruimtelijke Inventarisatie/Tuinperken Amsterdam 2003”, een bruikbaar overzicht van de geschiedenis van Klein Dantzig:

“Het tuinpark Klein Dantzig is opgericht in 1920 en was een vervangende locatie voor het opgeheven volkstuinencomplex III, ook in de Watergraafsmeer. Het was het terrein van de voormalige hofstede annex ‘warmoezierderij’ “Klein Dantzig” en het terrein was eerder enige tijd in gebruik geweest voor het verbouwen van voedsel voor dieren in Artis. Het complex diende in het begin met name voor de teelt van groenten en aardappelen die een welkome aanvulling waren op het karig bestaan.
De tuin was eerst groter: door de woningbouw na 1945 is een deel als tuingebied verloren gegaan. Inmiddels zijn de moestuinen voornamelijk in gebruik als siertuinen.”


De Bond van Volkstuinders (BVV) kreeg Klein Dantzig (KD) eigenlijk pas per 1 januari 1921 ter beschikking. Met het daadwerkelijk verhuren van de verkavelde grond kon een maand later worden begonnen. Al snel volgde gebiedsuitbreiding (najaar 1921) met een aantal intussen afgekeurde sportvelden, t.b.v. de vele toegestroomde nieuwkomers. Het nieuwe huurcontract tussen KD en de gemeente zette de toon voor de toekomstige verhouding met de gemeente. De Amsterdamse volkstuinders moesten volgens de BVV een blijvende plaats krijgen in de nieuwe stadsgedeelten. Met de stichting van KD, dat zich er door zijn ligging uitstekend voor leende, werd dit bondsideaal nu voor het eerst verwezenlijkt. Maar er werd ook al meteen een ander precedent geschapen. In het verslag van het overleg tussen bondsbestuur en Publieke Werken in augustus van datzelfde jaar, staat de geruststellende mededeling dat "er voor een spoedige verdrijving van het terrein van KD geen vrees behoefde te bestaan”. Maar óók dat er over permanente vestiging van volkstuinen geen toezegging konden worden gedaan. In soortgelijke bewoordingen ‘troostte’ een wethouder de aanwezigen tijdens de uitgestelde viering van het 25-jarig jubileum in 1946, nadat de voorzitter van KD in een gloedvol betoog zijn zorgen had uitgesproken over het uitbreidingsplan van de Watergraafsmeer en daarmee over het voortbestaan van KD. Het grote uitbreidingsplan van 1935 dat, mede vanwege de oorlog, een decennium lang was uitgesteld, lag er immers nog. Pas in de loop van de vijftiger jaren kreeg deze stadsuitbreiding vorm, en zoals bekend, moest ons complex er in 1952/53 gedeeltelijk toch aan geloven: het werd inkrimpen, en wel van het vorige adres (Ringdijk 44 waar nu de St.Lidwinaschool / de vm.Van Koetsveldschool staat) naar ons huidige adres (Kamerlingh Onneslaan 19).


luchtfoto

Luchtfoto waarop o.a. Klein Dantzig te zien is, dd 1928


TUINEN VAN TOEN

Je had een moestuin
want je moest
oorlogswinterklaar zijn
en je had geen aardappelveldje
driehoog-achter,
je at ook tulpenbollen.



Over de oorlog en KD heeft Saskia van Praag een stuk geschreven, zie verder op deze pagina (of klik hier).

Na de oorlog werd het voor ons land weer oorlog, in ‘Indië’. Iets daarvan klinkt door in het jaarverslag van 1948:

“Wanneer wij onze blik werpen op het jaar dat achter ons ligt, moeten wij helaas constateren, dat de zo begeerde rust in de wereld nog lang niet is teruggekeerd. De vrede, waarnaar zo reikhalzend wordt uitgezien, is ons nog steeds niet geschonken. De opbouw van een betere wereld, welke ons van alle kanten is beloofd, laat nog altijd op zich wachten. Het onderling vertrouwen is nog steeds zoek. Mede hierdoor zijn er nog zeer vele jonge mensen in Indonesië. Het is dan ook te begrijpen, dat van een rustige opbouw van ons land nog geen sprake kan zijn.”

Wát er in deze woorden doorklinkt is vooral de kritiek op onze regering (Drees!) in die dagen, die verantwoordelijk was voor het lot van ‘onze jongens in Indië’. Van hen werd verwacht dat ze het onafhankelijke Indonesië zouden terug veroveren (met deze nieuwe naam voor onze oude kolonie kiest onze secretaris duidelijk partij). Hoeveel tuinders-‘jongens’ zaten daar toen? De BVV had, naar goed vooroorlogs S.D.A.P.-gebruik, het pacifisme altijd hoog in zijn vaandel gevoerd, maar inmiddels was die partij opgegaan in de P.v.d.A. onder Drees, en onze secretaris betoont zich in zijn jaarverslag dus een verklaard dissident.


PARK FRANKENDAEL GEOPEND 2008

Ik hoor de ooievaars kleppen:
“Er is een park herboren.”
Een plek die leeft als nooit tevoren.

Er staan weer jonge bomen in het park geplant,
nu door de wind bewogen en bezongen
als groenste van alle longen.

Een park dat alleen maar vrienden heeft,
zich nestelend in het malse gras,
klaar voor het heffen van het glas.



Na dit jubelgedicht over het nieuwe fraaie stadspark, klinkt het volgende stukje uit het jaaroverzicht 2007 van de BVV wel een beetje zuur:

“Ons complex grenst enerzijds aan het stadspark “Frankendael” in de Watergraafsmeer en verder aan aangrenzende woonbuurten. Zo gelegen is het deel gaan uitmaken van zowel de omringende buurten (veel tuinders wonen in de buurt) als van het park (ook via het park kun je het complex in, en vice versa). Het uitgangspunt bij de renovatie van het park, die op 25 mei 2008 met een feestelijke opening zijn beslag krijgt, is nòg verdere ontsluiting ervan voor het publiek. Willen we hier op Klein Dantzig als tuinders verzekerd blijven van ons voortbestaan op lange termijn, dan zullen wij ons ook bij die ontsluiting moeten neerleggen.Deze houdt concreet gesproken in, dat er nu een tweede verbindingslaan annex bruggetje wordt aangelegd tussen het park en ons complex. Met het oog op de vanwege onze ligging temidden van (volks)buurten toch al kwetsbaar gebleken veiligheid, hebben we ons altijd tegen dit plan verzet, zonder resultaat dus.”

Maar het schetst wel goed de ambivalente gevoelens die wij, KD-ers, vooral tijdens de jarenlange aanloop naar de uiteindelijke voltooiing van het park hebben gekoesterd. Om de tuin geleid, zo voelden we ons vaak met al die voorlopige plannen en voorstellen die elkaar maar bleven inhalen. Zo viel er voor ons eigenlijk nooit iets over veiligheidsgaranties in te brengen. Daar staat tegenover dat nu met terugwerkende kracht de wens van de toenmalige voorzitter van KD, uitgesproken op de viering van het 25-jarig jubileum in 1946, in vervulling is gegaan:

“Spreker (de voorzitter) doet een ernstig beroep op het gemeentebestuur van Amsterdam om te doen nagaan of het niet mogelijk is om in samenwerking met de Bond van Volkstuinders plannen te ontwerpen dat deze tuinen in parken worden opgenomen.Wat in het buitenland mogelijk is, dat Volkstuin-complexen in een stadspark zijn opgenomen, moet hier ook mogelijk zijn.”

Ruim twee jaar later blijkt de gemeente aan dit beroep gehoor te hebben gegeven; per “N.B.” wordt aan het verslag van de jaarvergadering van woensdag 2 maart 1949 toegevoegd:

“Zo juist vernamen wij dat de Wethouder namens B.& W. de mededeling heeft gedaan, dat ‘Klein Dantzig’als proef in het te projecteren park zal worden opgenomen. Dus tuinders, voor ‘Klein Dantzig’ zeker een succes en voor U een stimulans te meer om de tuinen een behoorlijk aanzien te geven.”

Overigens is KD pas in 1955 officieel in park Frankendael opgenomen. Maar pas met de definitieve voltooiing van het hele ‘plan Frankendael’, en de heropening in 2008, lijkt KD ook echt voor de toekomst behouden. Wat onder een ambitieuze burgemeester Van Tijn ooit dreigde: dat KD plaats zou moeten maken voor het Olympisch dorp, mocht hij de Spelen binnenhalen (het werd gelukkig Barcelona!),zoiets lijkt vooralsnog ondenkbaar –maar wat zal 2028 ons brengen?!


TUINHOOFD

Mijn tuin bezorgt mij bolle appelwangen,
maar soms groeit die mij boven het hoofd
en blijft daar weken hangen:
was mij geen rozentuin beloofd?

Er komen bladeren uit mijn haar:
een lauwerkrans voor dit jubeljaar?



Goede sier maken met een (appel)moestuin, of juist de bloemetjes buiten zetten in je siertuin? De geschiedenis van KD leert dat naarmate de leefomstandigheden van de tuinders na de oorlog verbeterden, nieuwe generaties steeds meer overgingen van haal-, kweek-,nuts- of moestuinen op siertuinen. De tuinreglementen werden in de loop der jaren daarbij aangepast. Als je nu de oude reglementen terugleest en in notulen en jaarverslagen op de kwesties stuit die ze opriepen, kun je je nauwelijks voorstellen dat men er voor zijn plezier een tuin op na hield. Wie wil er nu een weekdienst (fruit)wacht gaan lopen (een door de ledenvergadering goedgekeurd besluit), elke middag tot zonsondergang, in ploegen van zes man, namens het Bestuur ‘bewaakt’ door een commissielid? Nou, dat wilde toen ook al niemand, maar het is wel noodzaak, als je voor een deel van je levensonderhoud van je tuin afhankelijk bent. In het jaarverslag van 1968 is er nog sprake van “21 boetes wegens het verzuimen van de fruitwacht” (de boete was tot in 1970 5 gulden per uur!) Toch wierp diezelfde wacht dat jaar blijkbaar genoeg vruchten af om op de traditionele Fruitdag maar liefst 25 fruitschalen bij het Willem Dreeshuis te kunnen bezorgen! . Pas in 1978, zo blijkt uit een antwoord van de voorzitter tijdens de rondvraag op een buitengewone ledenvergadering, is op “één van de vorig gehouden ledenvergaderingen(…) besloten de ‘fruitwacht’ af te schaffen”. Een stille dood gestorven dus, net als later de plicht je fruitbomen met gif te bespuiten op straffe van een zelf te betalen spuitbeurt door een daartoe ingehuurd bedrijf…

Dat het tuinieren steeds minder uit noodzaak en steeds meer voor eigen plezier gebeurde, verleidt de voorzitter van KD in een open brief aan de leden (opgenomen in het jaarverslag van 1968) tot deze welgemeende vermaning:

“We zijn van mening dat er in het volkstuinwezen een versnelde ontwikkeling plaats vindt. [volgt een uiteenzetting over de overgang van de ‘nuts’- naar de ‘siertuin’ als een soort actieve en creatieve vrijetijdsbesteding.] Deze veranderingen(…) brengen problemen met zich mee en het is goed deze vroegtijdig te onderkennen en ons ermee bezig te houden. We noemen slechts de verbetering der huisjes en dus ook de hogere bedragen die hiervoor betaald moeten worden. Moeten we ons hierop niet beraden en onder ogen zien (en maatregelen nemen) opdat ook de minst betaalden onder onze medemensen de mogelijkheid hebben een tuin te kunnen bemachtigen? Ons dunkt van wel!
Voorts blijkt er ook mentaliteitsverandering plaats te vinden. De gesloten gemeenschap zoals we die vroeger kenden, raakt steeds meer verloren. Het wordt steeds moeilijker om voor het gemeenschappelijk werk en voor de werkplicht mensen te vinden. Moeten we tijdig en welbewust de bakens verzetten? Weer zo’n probleem.”


Het sociale geluid dat deze voorzitter laat horen, klinkt dan al als dat van een roepende in de woestijn. Het aloude ‘rode’ geluid van de BVV die zich vanaf haar oprichting altijd sterk verbonden wist met de vooroorlogse S.D.A.P. en de eruit voortgekomen P.v.d.A., verdween in de jaren vijftig langzaam maar zeker. Hoe verder je terug gaat voor de oorlog, hoe sterker dat geluid doorklinkt in oude notulen en jaarverslagen, en het leeft ook weer op vlak na de oorlog, toen men dacht op de oude voet verder te kunnen:

“Het bestuur hield elken Zaterdagmiddag van 2-4 uur zitting in het bestuurshuisje, waarvan de laatste Zaterdag van elken maand voor het verkrijgen van restitutie van grondhuur voor de werkloozen.” ( uit het jaarverslag over 1945)

En in verband met de verlate viering van het 25-jarig jubileum in 1946 wordt in het jaarverslag opgemerkt dat het jammer is “dat de publicatie in de diverse bladen niet zoo was als wij hadden gehoopt en waarop het volkstuinwezen naar onze meening, gezien het belang der ontspanning en gezondheid van een groot deel van de arbeidende bevolking, wel recht heeft.”

In deze woorden klinkt nog duidelijk door dat de BVV volkstuinders zonder meer gelijkstelde met ‘de arbeidende klasse’ die geëmancipeerd diende te worden. Hoe anders het er zo’n vijftig jaar later met de volkstuinders voor staat, wordt niet beter geïllustreerd dan met de woorden van de voorzitter van KD ter gelegenheid van ons 75-jarig jubileum in 1995:

“De tijd dat de armere bewoners van Amsterdam een moestuin hadden voor noodzakelijke groenteverbouw is al lang voorbij. Er bestaat geen enkel verband meer tussen een klein inkomen en het houden van een tuin. Dat maakt de samenleving op Klein Dantzig kleurrijker en gevarieerder(…)”

Intussen zijn we 15 jaar verder en alweer aan ons 90-jarig jubileum toe, bij gelegenheid waarvan onze huidige voorzitter nog altijd kan instemmen met die laatste zin van haar voorganger uit 1995. Maar inmiddels kun je je wel weer gaan afvragen of er wérkelijk “geen enkel verband meer tussen een klein inkomen en het houden van een tuin bestaat”. Die vraag blijkt, op een heel andere manier dan destijds, opnieuw actueel. Op de jaarvergadering van 2009 spreken enkele leden zich uit tegen de voor hen niet op te brengen verhoging van de jaarlijkse bijdrage met 75 euro, om vervolgens het voorstel tot bemiddeling via Sociale Zaken als onacceptabel af te wijzen… (wordt vervolgd)


Jeroen Kappers

 

^

ga naar: Deel 1 > De oorlogsjaren > Deel 2 > naar boven >

 

 

boeken

 

Geschiedenis:
de oorlogsjaren


Een tuin van 90 jaar oud heeft ook de oorlog en bezetting meegemaakt. Er zijn nog notulen bewaardgebleven uit die tijd, keurig met de hand geschreven in mooie notulenboeken. Deze boeken zullen op de jubileumtentoonstelling te zien zijn.


Een week voor de Duitse inval was er op de jaarvergadering nog een levendige discussie over de viering van de twintigjarige herden-king van de oprichting van de tuin, zoals dat toen werd genoemd. Wegens de tijdsomstandigheden is die uitgesteld, zoals valt te lezen in de notulen van 1941. Zo werd de oorlog en bezetting steeds genoemd: tijdsomstandigheden, of omstandigheden des tijds. Pas in 1946 zal er een jubileum gevierd worden, dan van het vijfentwintigjarig bestaan.


In Rotterdam heeft een aantal complexen zware schade opgelopen door het bombardement of jacht op gevluchte parachutisten. Hiervoor is door het Lande-lijk Verbond een steunfonds opgericht. Tuinders zijn verplicht een bijdrage van 50 cent te leveren, maar enkele Klein Dantzig-tuinders weigeren om princi-piële redenen en dat wordt een hele toestand, tot in de bestuursvergaderingen van de Bond aan toe.
Er wordt gekeken of het mogelijk is een schuilkelder te maken op de tuin, maar dat lukt niet. Daarom mogen kinderen bij luchtalarm schuilen in het afdelingsgebouw - je kunt je afvragen wat dat voor be-
scherming te bieden had.


Tijdens de bezetting wordt het steeds moeilijker om aan voedsel te komen. De volkstuin wordt dus steeds belangrijker als voedselbron en er zijn veel aanmeldingen. Ook worden er door de regering speciale oorlogstuinen gesticht, waar een bepaald percentage bonen en aardappels geteeld moet worden. Na de oorlog zal de belangstelling voor een tuin op Klein Dantzig aanvankelijk weer sterk teruglopen.
Er is ook belangstellling van mensen die geen tuin hebben voor de oogst: dieven. Voor de oorlog werd er wel al wachtgelopen om vooral het fruit te bewaken, maar tijdens de bezetting werd dit steeds belangrijker. Aanvankelijk was de wacht vrijwillig maar later werd het verplicht en toen ook dat niet voldoende wachters opleverde, werd er zelfs voor wachtlopen betaald. De Bewakingscommissie, ingesteld in 1942, moest dit allemaal in goede banen leiden. Er wordt heel wat over gepraat! Er wordt bijvoorbeeld voorgesteld om werkloze tuinders tegen vergoeding te laten bewaken (fl 0,75 per avond), maar, vraagt een ander zich af, hoe moet dat dan met werkloze bestuursleden, aangezien die sinds enige tijd wegens misbruik geen betaalde arbeid meer mogen verrichten voor de tuin...
Verder moeten tuinders zich altijd kunnen legitime-ren middels hun bondsdiploma, al geldt dat weer niet zo streng voor gezinsleden. Want in deze tijd is alleen de man als gezinshoofd lid van de tuin, al wordt er wel al over gepraat of misschien moeder de vrouw, die zich immers zo verdienstelijk maakt, ook niet medelid zou mogen worden.

Ook allerlei andere materialen worden schaars. Het begint met EHBO-spullen, daarom wordt op de jaarvergadering van zaterdag 2 februari 1941 al medegedeeld dat eerste hulp zich voortaan moet beperken tot... het verlenen van eerste hulp. (Wat er voordien dan voor hulp werg geboden, staat er niet bij.) Later komt nog schaarste aan pootgoed, carbolineum (voor de bespuiting van vruchtbomen), in 1946 is er nog geen materiaal voor onderhoud van de beschoeiing en de waterleiding, en tuinders worden opgeroepen om het te melden aan het bestuur als er ergens sloop- of breekwerk te koop is. Er zijn er nog geen kruiwagens te krijgen en zelfs in 1948 is er nog moeilijk aan dundoek te komen voor vlaggen, wat blijkt als men wat meer zou willen vlaggen op de tuinen. Maar ook schoenen, brandstoffen en allerlei andere zaken waren in 1948 nog op de bon.


Maar de notulen vermelden ook allerlei gewone discussies. Over strubbelingen over de centrale inkoop van zaden en pootgoed, over de verplichte bespuitingen, over tuinders die brutaal zijn tegen het bestuur, die zich niet aan de regels houden of die onderling ruzie maken, over het jeugdwerk, het revuegezelschap en andere commissies, over overlast van de padvinders, gemopper op het bestuur door tuinders die zelf nooit een poot uitsteken, over een nieuwe belas-ting op grond. Interessant is ook dat de agenda van de vergaderingen nu nog precies zo is als 65 jaar geleden.


Van hogerhand worden er allerlei nieuwe verplichtingen opgelegd. In de loop van 1941 moeten alle tuinen zich aansluiten bij het Landelijk Verbond en alle andere bonden, zoals de christelijke en de rooms-katholieke, worden verboden. Alleen het tijdschrift van het Landelijk Verbond mag nog verschijnen, zogenaamd wegens de papierschaarste. Alle tuinders moeten zichzelf ook registreren, en in dezelfde periode wordt bekend gemaakt dat joden vanaf oktober 1941 hun tuin moeten opgeven, omdat ze dan geen lid meer mogen zijn van Verenigingen zonder economisch doel. In de notulen van Klein Dantzig wordt dit niet genoemd, niet zo gek, want over de anti-joodse maatregelen mocht niet worden gesproken. Het staat wel heel kort genoemd in notulen van de BVV, met de toevoeging dat ze nog wel tot 1 januari de groente van hun tuin mogen ophalen. Hoeveel tuinders van Klein Dantzig hierdoor getroffen zijn, is niet bekend.


Als complex is niettemin Klein Dantzig de oorlog redelijk doorgekomen. Een aantal andere complexen is onder water gezet of tegen het einde van de oorlog zelfs helemaal met de grond gelijkgemaakt, omdat ze in de Duitse verdedigingslinie lagen. Klein Dantzig bestond nog, al waren er plannen van een deel van het terrein een woonwijk te maken.


Saskia van Praag


(zie voor uitgebreide informatie: www.volkstuin40-45.nl)

 

^


ga naar: Deel 1 > De oorlogsjaren > Deel 2 > naar boven >

 

 

omslag


 

Deel 2

 

 

INBREKERS IN HET PARADIJS

Nachtschade, glasschade.
Koperdieven, kosten koper.
Sluit u af met een hekje?
De notulen zijn gearresteerd,
maar de paradijsvogel is gevlogen.



Het illegale Parool van 10 oktober 1941 maakt melding van misschien wel de eerste koperdieven op ons complex: de Grüne Polizei. Het zouden niet de laatste zijn, getuige de meest recente ‘kranensloop’ dit voorjaar –ook op klaarlichte dag. Alleen maakten het vandalisme en de roofzucht uit het krantenbericht deel uit van een razzia, een mensenjacht op onderduikers wier veiligheid met recht hun breekpunt was. Nu is veiligheid op de tuin hooguit een issue: hoe blijven onze huisjes en spullen gevrijwaard tegen inbraak, diefstal en vandalisme? We vinden het zo belangrijk dat we er sinds 2004 een veiligheidscommissie op na houden, die –al dan niet samen met de wijkagent / buurtregisseur– op een sukkeldrafje achter de feiten en hun plegers aan holt. Feiten die er soms niet om liegen; bekijkt u vooral de bijgevoegde foto’s en kijkt u het lijstje schademeldingen uit 2009 er nog maar eens op na…

Hoorde men elkaar in vroeger tijden (toen er nog “fruitwacht” gelopen werd!) ooit klagen over onveiligheid op ons complex? Vast wel.

Maar ach, het waren hoogstens de padvinders die ons toen wat veel (geluids)overlast bezorgden, iets waarvan niet eerder melding van gemaakt werd trouwens, dan op de jaarvergadering van 1968. Pas in 1975 kan de voorzitter zijn gehooor verzekeren dat “betreffende de overlast(…)aan een wijkagent een sleutel van de hekken is gegeven, opdat deze agent ook na sluiting van de hekken zijn surveillance kan doen.” …

In het jaar daarop legt het bestuur in een brief aan de Bond de schuld voor het hand over hand toenemende aantal diefstallen op KD neer bij de langs de Kamerlingh Onneslaan geparkeerd staande vrachtwagens, die immers het complex aan het oog onttrekken en die bovendien voor ernstige milieuvervuiling zorgen…

(De padvinders weten overigens nog altijd van geen ophouden, zo blijkt tijdens de rondvraag op de jvg. van 1977.)

In 1983 (de “fruitwacht” is dan inmiddels alweer vijf jaar opgeheven) lijkt het echt menens te zijn geworden met de overlast van buiten:

“In de afgelopen tijd hebben wij helaas enige malen bezoek gehad van ongenode gasten(…)er is aan deuren en sloten veel beschadigd en wel zodanig dat een deur in het kleine clubhuis vervangen moest worden. Wanneer deze heren het presteren om twee maal in één week in te breken voel je dat je machteloos bent. Laten wij hopen dat zij ons complex (met het voorjaar en de zomer in het vooruitzicht) voorlopig links laten liggen. Het Bestuur heeft inmiddels maatregelen genomen dat begerenswaardige artikelen niet meer voor het grijpen liggen”, aldus de penningmeester in het jaarverslag.

En zo is het gebleven, met de winter van 2008-9 als topseizoen.



SLA(K)


Slakken slaan hun slag in de sla:
zij eten graag uit eigen tuin.
Er bestaat –voor zover ik weet–
geen soort sla die slakken eet.



De vraag of een siertuin het moet afleggen tegen een moestuin als het om ongedierte gaat, blijft onbeslist zolang je niet weet wie van de twee zijn tuin het meest ter harte gaat: de tuinier voor wie elke slak een doorn in het oog is, of de tuinder die ermee in zijn maag zit. Zelfs wie van ons de pijn verdelen over hun groenten, fruit en kruiden ener- en hun bloemen anderzijds, weten nog niet waar hun hart ligt.

Hoe verder je teruggaat, hoe minder dit dilemma zich voordeed: je koesterde simpelweg je moestuin omdat je niet beter wist dan dat je er van moest leven; bloemen waren luxe leek het wel… Maar daar kwam vooral na de oorlog verandering in, toen de BVV regelmatig competitieve complexkeuringen en bloemententoonstellingen ging uitvoeren c.q.uitschrijven –allemaal goed voor een welgevulde prijzenkast. En daar kwamen onze eigen lustrumtentoonstellingen nog eens bij! De bloemenkweek nam dan ook, samen met de bomen- en plantenkweek, een zo hoge vlucht, dat de gemeenschappelijke ‘BROEIKAS’ naast de ‘TUINWINKEL’ (die ook met succes in oud papier deed) een niet meer weg te cijferen bron van inkomsten voor KD ging vormen:

“Ik denk dat onze penningmeester wel heel, heel erg tevreden is over de resultaten die behaald zijn in de Broeikas en de Inkoop (pardon Tuinwinkel). Wat zijn hier fantastische resultaten bereikt!”,


aldus de secretaris in het jaarverslag over 1974. Even verderop deelt de penningmeester mee dat de broeikas in 1974 geheel in ons eigendom is verworven na de laatste afbetaling, en dat de netto opbrengst f 2635,55 bedraagt.

Met het oog op de viering van het 55-jarig jubileum van KD worden in hetzelfde contactblad van het voorjaar 1975 door een oud-voorzitter zeer gedetailleerde kweekadviezen gegeven, die door de belanghebbende partij met de volgende behartenswaardige aanbeveling worden besloten:

“U krijgt steeds deskundig advies. De prijzen van onze produkten zijn in vergelijking met elders belachelijk laag. Wij hebben met genoemde planten rekening gehouden met een eventuele tentoonstelling voor ons 55 jarig jubileum. Wij nodigen alle leden dan ook uit om bij ons hun bloemen, planten en bomen te bestellen.”

DE BROEIKAS.

Blijkens het jaarverslag van de penningmeester over 1977 is dit advies dat jaar in ieder geval niet in de wind geslagen:

“Verkoop broeikas: Wat nog nimmer in de boeken van de broeikas is geschreven is, dat deze een winst heeft gemaakt van bijna f 3000=. Hulde en dank(…)voor deze geweldige prestatie.”

Toch valt nog geen tien jaar later, bij het volgende lustrum het doek alweer: de broeikas wordt opgeheven. Op de jaarvergadering van 1980 geeft de voorzitter een uitvoerige toelichting op het voorstel om de broeikas geschikt te maken als knutselruimte, en hij besluit zijn verhaal aldus:

“Voor veel tuinders zou ’t prettig zijn, om, indien zij een karweitje hebben (dat zij door ’t ontbreken van electriciteit niet op hun eigen tuin kunnen doen) dit in deze knutselruimte te kunnen verrichten. Het bestuur staat achter dit voorstel. Voor veel tuinders zou ’t een uitkomst betekenen.”


Tijdens de rondvraag wordt er aan het eind van de vergadering een tipje van de sluier over dit zomaar afschrijven van ‘de broeikas’ opgelicht. Eén van de aanwezigen merkt pinnig op:

“De tuinders die nu tegen de knutselruimte stemden hadden zich in ’t verleden moeten opgeven als hulp in de broeikas. Dan hadden wij waarschijnlijk nu nog een broeikas gehad.”

Het is waarschijnlijk niet alleen door het gebrek aan inzet dat het steeds moeilijker werd voor ‘de broeikas’ om zich op KD te handhaven, maar ook door toedoen van onze naaste buurman, het tuincentrum. Dat de ‘tuinwinkel’ zich –zij het vaak wankel– tot nu toestaande heeft weten te houden, mag dan ook een wonder heten…


ECOLINT

Oeverlint, wandellint, fietslint,
dat ons verbindt met muis en wezel.
En ringslang (zo rond het tuinparadijs).
Sinds Genesis weet je waaraan je begint.
Hij valt misschien toch mee in het gebruik:
niet giftig, schuw en eet geen ecomuis.
Wie heeft die slang nog meer tot ecolint verleid?
Buurtregisseur, ik blijf paraat
zolang ik wel met een doktersesculaap,
maar nooit meer met een tuinslang praat.



Jaja, wij maken als KD –ingelijfd bij park Frankendael– een onmisbaar onderdeel uit van de “Gemeentelijke Ecologische Hoofdstructuur van Amsterdam” en als zodanig leveren we onmiskenbaar onze bijdrage aan het milieu, ook landelijk, want de Amsterdamse valt weer onder de landelijke ecologische hoofdstructuur. Wat dat ook allemaal voor ons mag betekenen en voor onze tuindichter in het bijzonder, één ding staat vast: in zo’n gemeentelijk gefiatteerde hoedanigheid blijft KD in ieder geval gevrijwaard tegen onteigening!

En als we zijn gevrijwaard tegen onteigening van onze tuinen door de stad, dan zijn we ook gevrijwaard tegen ‘ont-eigening’ van onszelf –als het aan de KD-voorzitter uit 1971 ligt. Hij laat op zijn gelukwensen in het contactblaadje van januari 1971 voor het komende jaar, mede namens het bestuur het onderstaande volgen:

“(…)wij hopen dat wij in samenwerking met U allen er in zullen slagen, ons tuinbezit in waarde te doen toenemen. Uiteraard doel ik hierbij niet op de materiële waarde, maar wel op de waarde van het tegenwicht. Het tegenwicht dat onze hobby vormt voor de vaak zo fantasieloze uniformiteit die de vertechniseerde maatschappij ons oplegt.
Tegenover de opdringende, snoepkleurige verlokkingen van het neonlicht, het weldadige, eerlijke groen van Uw gazon.
Tegenover het behoefte wekkende klatergoud van winkels en warenhuizen, de altijd harmoniërende bloemenweelde van Uw 200 m2.
Tegenover het cliché-mannetje dat U van zichzelf moet vormen in de strijd voor Uw maatschappelijke status, Uw wezenlijke “IK” die U in Uzelf ontmoet, wanneer U opziet naar Uw bloeiende appelboom(…)”


Een pleidooi voor de volkstuin als waarborg tegen de zegeningen van de toen opkomende welvaartsmaatschappij, zo klinkt het. Er was in 1971 reden tot optimisme: zolang je maar over een volkstuin beschikte, kon je tegen de verdrukking in jezelf blijven!

Drie jaar eerder, begin 1968, klinkt de toenmalige voorzitter, nadat hij ook namens zijn medebestuurders bedankt heeft voor de vele kerst- en nieuwjaarspost, nog heel wat somberder:

“Die stroom van kaarten en brieven rijst jaarlijks steeds meer en dat geeft ons hoop en vertrouwen voor de toekomst. Want laten we eerlijk zijn. Terwijl we dit schrijven toont het wereldbeeld rondom ons weinig hoopvolle perspectieven. Onenigheid, strijd en oorlog, terwijl de conflictstoffen nog liggen opgehoopt, dat is het beeld wat ons overal als mensheidsvernietigend monster aangrijnst. En in deze woestijn der barbaren is ons volkstuincomplex een kleine oase in de ons omringende woestijn. Een oase waarvan we kunnen en mogen genieten, maar waarmee we o zo voorzichtig moeten omspringen, opdat ook deze oase niet door de woestijn wordt opgeslokt en vernietigd.”


Niet alleen opgeslokt te worden door de stad, maar door de wereld, lijkt deze voorzitter te duchten. Koester je volkstuin juist nu, in het oog van de storm, tegen beter weten in…luidt zijn advies.Intussen woedde de Vietnamoorlog maar door, waren er rassen- en studentenrellen in de VS, dreigde vooral in Cuba steeds de koude oorlog , had de uitkomst van de Sinaï-woestijnoorlog de kiem gelegd voor eindeloos veel nieuwe conflicten, ging de bewapeningswedloop verder en droeg dit alles bij tot wereldwijde protesten tegen oorlog en onrecht.

Een jaar later, in 1969, is het de bondsvoorzitter die voor de nodige onrust onder zijn leden zorgt met zijn oekaze in het bondsorgaan, waarin hij met voorbijgaan aan de voor hem kennelijk loze beloften van de gemeente, het volgende beweert:

“Een ander probleem is dat ons volkstuinwezen in zijn geheel wordt bedreigd. De landhonger van de voortschrijdende industrialisatie, stadsuitbreiding, aanleg van wegen enz. hebben al meerdere complexen opgeslokt. Wat staat ons in de naaste toekomst te wachten?”

Geef hem eens ongelijk: hij kon moeilijk anders dan waarschuwen, zo hadden de feiten hem immers geleerd.

En telkens weer slaat de koude schrik voor feitelijke onteigening toe, alle gedane beloften ten spijt. Er onstond bijvoorbeeld flinke commotie na een loos alarm door Het Parool, dat op de jvg. van 14 april 1978 gelukkig door de voorzitter kon worden ontkracht. In een universitaire studie over “De Meer” zou het verdwijnen van het Ajax-stadion, en de opheffing van Vliet & Wielinga, KD en het terrein van de padvinders zijn besproken! Navraag leerde dat ‘Gemeente’ noch ‘Bond’ ergens van wisten. Het bestuur zou bij Het Parool protest aantekenen.

Nu, in 2010, bevinden wij, ‘Klein-Dantzigers’, ons dankzij het gemeentelijke ecologische-structuurplan in een gunstige uitzonderingspositie waarin we van de naaste toekomst waarschijnlijk niets te duchten hebben...


JOGTUINPARK

Ik zie een rode loper en een groene.
Dat is geen sjokken, dat is joggen,
alsof de dood hen op de hielen zit
met een stopwatch.
Adidas tegen Vanitas.



‘Hardlopers zijn doodlopers’ heet het, en daar laat ook onze tuindichter geen misverstand over bestaan.

Alweer een aantal jaren geleden riep de activiteitencommissie zichzelf in het leven, vooral om met en voor medetuinders activiteiten te ontplooien buiten de gebruikelijke volkstuinders-evenementen om, zoals ‘plantjesmarkt’, ‘open tuindag’, enz.

De beide lopers uit het versje hierboven lopen zich voor het Rode, resp. Groene Loper Festival het vuur uit de sloffen. De rode zal het tegen de groene afleggen: het onder auspiciën van het stadsdeel georganiseerde Rode Loper Festival werd vorig jaar ‘ingehaald’ door ons bloedeigen Groene Loper Festival. Maar helaas: sindsdien zijn beide festivals blijkbaar ten dode opgeschreven, zoals ik ook heb horen zeggen dat het onze joggers zal vergaan.

Met het organiseren van de jubileumactiviteiten van dit jaar –waaronder deze tentoonstelling–begint het erop te lijken dat de activiteitencommissie in het voetspoor wil treden van de jubileum- en feestcommissies uit een ver verleden. Om een idee te geven van wat ons in de toekomst te wachten staat, volgt hier een bloemlezing uit wat er zo al te beleven viel aan evenementen die men toen voor elkaar organiseerde…

De oorlog was nog niet voorbij, of men wilde met frisse moed en liefst op de oude voet verder, ook op KD. Daartoe bood voor onze ‘tuingroep’ de noodgedwongen uitgestelde viering van het 25-jarig jubileum, met daarnaast ook nog een bondstentoonstelling, een welkome eerste gelegenheid. In het jaarverslag over het jaar 1946 wordt die tentoonstelling in een apart hoofdstuk beschreven.Verder komt er onder de kop “COMMISSIES EN ONDERAFDEELINGEN” (w.o.’Bibliotheek’, ‘Jeugdwerk’, ‘Tooneel- en Revuegezelschap “Klein Dantzig”’, ‘Feestcommissie’) een keur aan overige activiteiten langs. Zo wordt over de feestcommissie het volgende opgemerkt:

“Zowaar kon voor een prachtige verlichting van het tentoonstellingsterrein, jeugdhuis, tentoonstellingstent en fontein worden gezorgd. Op den laatsten dag van de feestweek[sic!] werd een prima feestdag samengesteld met een concert van het Volkstuinders Mannenkoor en het muziekgezelschap “Kunst na Arbeid” en een kinderbloemencorso(…)Ook de feestavonden(…)met het toneel- en revuegezelschap(…)waren prima verzorgd.”

Uit het hoofdstuk over de jubileumtentoonstelling komt de grote (vrijwillige/onbetaalde?) inzet van iedereen naar voren, vooral ook tijdens de voorbereidingen:

“(…)werd het plan geopperd om een volle- gronds tentoonstelling te houden en tevens een tentoonstelling van snijbloemen en fruit. De speelweide, die in de oorlogsjaren verkaveld was tot tuintjes van 50 M2 en uitgegeven aan verschillende leden, werd hiervoor geschikt bevonden(…)Daar het noodzakelijk was, dat zoo spoedig mogelijk met de werkzaamheden op dit terrein kon worden begonnen, werd de leden die hier een tuintje hadden, verzocht, ofschoon zij hierop recht hadden tot het voorjaar, dit met Januari 1946 reeds te ontruimen. Door alle leden werd hieraan ten volle medewerking verleend. Het omspitten van dit 3000 M2 groote terrein nam onze eminente tuinman voor zijn rekening(!) en hij heeft op waarlijk schitterende wijze deze enorme taak volbracht”.
(uitroepteken & onderstreping komen voor mijn rekening).

“De samenwerking der diverse commissies moest uit den aard der zaak intensief zijn(…) En zoo werd dan met elan aan de enorme taak begonnen. Doch zie, ook hier bleven de tegenslagen niet uit. Reeds bij het bezaaien van het terrein waren de weergoden niet op onze hand en ook in de weken daarna hebben wij het zonder hun medewerking moeten stellen, ja erger nog, wij kregen zeer veel tegenwerking van deze heeren (of zijn het dames, gezien de wispelturigheid).”

Enfin, men heeft de hele boel een maand moeten uitstellen, maar geen nood: de heren der schepping bleven elkaar uit de nood helpen:

“Verder zou de tentoonstelling geopend zijn van ’s morgens 10 uur tot des avonds 10 uur [let wel: een week lang!]. Mede door de spontane medewerking van de leden kon een volledige wacht worden ingesteld, zoowel overdag als des avonds, terwijl voor nachtbewaking eveneens was gezorgd.”

Het eerstvolgende jaarverslag (1947) vermeldt in verband met tentoonstellingsactiviteiten t.g.v het 30-jarig Bondsjubileum, waaraan ook KD zijn steentje bijdroeg:

“Het is een genoegen de grote hulp en de spontane medewerking te mogen memoreren van verscheidene leden en belangstellenden voor onze inzending op de tentoonstelling “Bloemenpracht” in het R.A.I.-gebouw. Volgens oudgedienden kwam toen de echte volkstuindergeest weer naar voren.”

Rond 1948 heeft de ‘speelweide’, die tijdens de oorlog voor tuintjes en later als tentoonstellingsterrein gebruikt was, zijn oorspronkelijke bestemming terug:

“Er is een gedeelte op ons complex hetwelk in 1948 wel een buitengewoon goed aanzicht heeft gekregen en dit is de speelweide. Hierop zijn door het onvermoeid werken van de dames- en heren-leden van de jeugdcommissie een serie toestellen verrezen, waarop zij met recht trots kunnen zijn”.

En daar bleef het ‘jeugdwerk’niet bij:

“Ook het jeugdhuis werd terdege onder handen genomen, zodat bij de aanvang van het winterseizoen kon worden begonnen met de clubs voor meisjes en jongens, waarin zij les ontvangen in diverse werkzaamheden, zoals handwerken, figuurzagen, cartonagewerk e.d.”

In de loop der jaren zou het aanbod van al dit soort activiteiten bij gebrek aan belangstelling verschralen en plaatsmaken voor bingo en klaverjassen, bezigheden die in plaats van KD geld te kosten, in ieder geval geld in het steevast te lege laadje brachten..

Jeroen Kappers

ga naar: Deel 1 > De oorlogsjaren > Deel 2 >

 

 

^

 

 

© Klein Dantzig & webdesign Janet Witte

Volkstuinencomplex Klein Dantzig | Kamerlingh Onneslaan 19 | 1097 DE Amsterdam